|
|
De Pyreneese Herdershond
Uitgebreide rasbeschrijving:
Herkomst:
De Pyreneese Herdershond is een van de laatst erkende Franse
Herdersrassen. Hij werd veel later erkend dan bijvoorbeeld de Briard of de
Beauceron. Toch is dit ras al heel oud en is hij uiterlijk in tegenstelling tot
andere herdershondenrassen door de eeuwen heen maar nauwelijks veranderd.
Volgens de jongste studies zou de Pyreneese Herdershond kleine kuddehonden als
voorouders hebben gehad. Deze kuddehonden zouden zelf weer afstammen van de
Tibetaanse Terriërs die naast de grotere afstammelingen van de Tibetaanse
Mastiff leefden. Zowel de Terriërs als de mastiffachtige honden vergezelden de
Aziatische horden tijdens hun invallen in Europa in de 5e eeuw. Terwijl legers
van Attila naar het westen oprukten, zouden de honden zich met inheemse
stamvaders hebben gekruist. Enerzijds zouden daaruit de voorvaders van de
Nizinny, de Tatra en andere witte grote dogachtigen zijn voortgekomen,
anderzijds die van de Catalaanse Herdershond (Gos d'Atura) en de Pyreneese
Herdershond.
Dit
is beslist de meest overtuigende stelling die ooit over deze kwestie is
verkondigd. Hiermee worden in één klap aardig wat theorieën omvergehaald die tot
voor kort nog door sommige specialisten werden verdedigd. Volgens deze
specialisten zou de Pyreneese Herdershond namelijk een afstammeling zijn van de
Briard. Nu hebben beide rassen natuurlijk een bepaald aantal punten gemeen, al
was het alleen maar dat ze allebei herdershonden zijn. Het is echter vrij
onwaarschijnlijk dat ze ooit gekruist zijn in tijden waarin de middelen van
transport nog niet erg ontwikkeld waren. Elke provincie was als het ware een
eiland op zich, vooral als het een provincie in de bergen was. Misschien dat
zulke erfelijke 'bloedinbrengen' wel hadden kunnen plaatsvinden tussen honden
die in uiteenlopende delen van het land leefden, de één in het zuidwestelijk
deel van Frankrijk en de ander vooral op de vlakten in het noorden van het land.
Maar zelfs dan nog is het een vraag hoe de Briard de kleine Pyreneeër zou hebben
kunnen voortbrengen. Daar komt dan nog eens bij dat de Pyreneese Berghond
volgens de overlevering van zijn geboortegrond veel eerder bestond dan zijn
veronderstelde voorvader.
Om het publiek helemaal in verwarring te brengen, gingen sommige kynologen aan
het einde van de 19e eeuw nog verder. Zij beweerden zelfs dat de Pyreneese
Herdershond en de Pyreneese Berghond een en hetzelfde ras waren. Deze twee
honden onderscheiden zich echter in alles van elkaar. De Pyreneese Herdershond
is een lichtvoetige atleet, terwijl de Pyreneese Berghond een waardige
vertegenwoordiger is van de zeer oude groep van dogachtigen. Die voortdurende
verwarring was waarschijnlijk het gevolg van dwalingen van schrijvers. Zij
baseerden hun werken over de Pyreneese Herdershond vaak op informatie die
achteraf onjuist bleek. Bovendien werd de informatie niet ter plaatse
geverifieerd. Deze schrijvers lieten eerder hun fantasie de vrije loop dan dat
zij wetenschappelijke waarnemingen deden. We spreken dan wel van beroemde
kopstukken zoals Brehm, Reul en graaf van Bylandt. Elk van hen vermeldde in zijn
eigen boek een Pyreneese Herdershond die balanceerde op de grens van fantasie en
in ieder geval heel anders was dan in werkelijkheid. Dit blijkt bijvoorbeeld uit
de standaardschets die graaf van Bylandt in 1987 in zijn boek "Les Races de
chiens" publiceerde. Hij beschreef een hond met ruig en halflang haar, een
licht gewelfde schedel, een lange snuit, kleine oren, soms verschillend
gekleurde ogen en een vrij lang lichaam. De Duitser Brehm sprak van een hond
'met bijna hard haar, kroeshaar als hij jong is, wit met grote zwarte vlekken,
hoog benig gebouwd, kort en gespierd , met sterk gevliesde tenen, een breed en
ontwikkeld hoofd, vrij puntige hangoren, een lange, vierkante snuit en grote
blauwe, uitpuilende ogen die de nadruk leggen op intelligentie, zachtheid en
stoutmoedigheid.
Pierre Mégnin was duidelijk beter op de hoogte en kwam veel dichter in de buurt
van het ras. Hij schilderde het portret van de Pyreneese Herdershond als volgt:
"Het is een Griffon met een weinig behaard hoofd. Hij heeft net een paar lange
haren op de wenkbrauwen, maar geen uitgesproken snor of sikje. De achterhand is
sterk behaard. Hij heeft daar een flinke broek en op de dijen een dikke matras
van haar.
De benen zijn bijna gladharig. De voeten staan ver uit elkaar en doen denken aan
berevoeten. Ook heeft hij staande oren in plaats van platte oren. De vacht is
niet wit met brede , zwarte platen, maar zilvergrijs met genoemde zwarte
vlekken, met of zonder tan op de voeten. Deze laatste kleur noemt men gewoonlijk
danoisé. De ogen zijn vaak verschillend gekleurd, dat wil zeggen met een
lichtblauwe iris.
De kynologen in Frankrijk en daarbuiten begonnen inmiddels wel belangstelling te
tonen voor de Pyreneese Herdershond. Heel opvallend was dat hij eigenlijk pas in
de Eerste Wereldoorlog echt uit de schaduw zou treden. In 1916 kwamen namelijk
Paul Mégnin, Marlic en dierenarts Hérout met een idee. In het leger vervulden
zij de functie van respectievelijk tweede luitenant, commandant en hoofd van de
Dienst van Oorlogshonden. Zij stelden de Franse staf voor om de Pyreneese
Herdershond te gebruiken als verbindingshond en als patrouillebegeleider. Het
idee werd onmiddellijk overgenomen door het militaire gezag. De Dienst van
Oorlogshonden stuurde de kenner van het ras, Théodore Dretzen, naar de Pyreneeën
om daar zoveel mogelijk exemplaren vandaan te halen. Omdat de kleine Pyreneeërs
een fijnere neus hadden dan veel andere herdershondenrassen, bleken ze al gauw
waardevolle helpers voor de geallieerde infanteristen te zijn. J. Dhers sprak in
een artikel in het blad L'Eléveur (De Fokker) zijn waardering uit over de
prestaties van het ras: 'Als oud-officier en africhter bij de Dienst van
Oorlogshonden beschouw ik het als mijn plicht om te benadrukken dat de kleine
Pyreneese Herder het ras is geweest dat het leger de intelligentste, de
goochemste, de snelste en de vaardigste verbindingshonden heeft geleverd.' Deze
veel zeggende 'staten van dienst' zouden de Pyreneese Herdershond vlak na de
Eerste Wereldoorlog een grotere naam bezorgen. In die periode zocht men ook naar
mogelijkheden om de Pyreneese Berghond onder de aandacht te brengen. Dit
resulteerde in het idee om aan beide Pyreneese rassen tegelijk bekendheid te
geven, wat in 1923 uitmondde in de oprichting van de Réunion des Amateurs de
Chiens Pyrénées (RACP). Een en ander gebeurde onder leiding van enkele Pyreneese
kynologen en van Bernard Sénac-Lagrange. Aan deze laatste beroemde kynoloog is
een uitvoerige studie van de raskenmerken te danken. De club stelde vervolgens
een standaard op en niets stond de erkenning van de Pyreneese Herdershond nog in
de weg. In 1926 werd die erkenning verleend door de Société Central Canine en
het Franse ministerie van Landbouw. Vanaf dat moment kon het ras meedoen aan het
Concours central général agricole, net zoals bijvoorbeeld de Beauceron en de
Briard.
Een opmerkelijk feit in de analen van de kynologie is dat de opstellers van de
standaard twee
variëteiten
Pyreneese Herders onderscheidden. De ene variëteit had een hoofd dat in zijn
totaliteit op dat van een bruine beer leek met een wigvormige snuit, terwijl de
andere variëteit met een glad behaarde snuit en wat korter haar op het lichaam
had. Bovendien hadden de opstellers een verschil van 10 cm. toegestaan in de
grootte van de exemplaren. Veel liefhebbers verbaasden zich over dit ondersc
heid,
met name J. Dhers. Aan het einde van de 19e eeuw verklaarde hij dat dit
bijzondere kenmerk waarschijnlijk lag aan de eerders geconstateerde
'eilandligging' van de diverse provincies. Hoewel het ras zeer duidelijk is
gevestigd en bepaald, kan men in ons gebergte zien dat de typen zo'n beetje van
dal tot dal verschillen. De standaard blijft hetzelfde, maar bepaalde kleine
details ontsnappen niet aan de aandacht van de kynologen uit de bergen. Zo zou
de hand van Arbazzie het prototype van de van de standaard zijn. De kleine
Sain-Béat daarentegen is potig en heeft een rond hoofd. Men zou zeggen een
Bobtail in het klein. De altijd zwarte Azun Herder lijkt op een verkleinde
Groenendaeler.
Deze uiterlijke verschillen in bouw waren inderdaad hoofdzakelijk geografisch te
verklaren, vooral door de gebrekkige verbinding tussen de laagst en de hoogst
gelegen woongebieden. Hierdoor ontstonden er bepaalde plaatselijke typen die een
hoge mate van bloedverwantschap vertoonden. Volgens specialisten was het
omgekeerde echter ook het geval. De variëteit met een glad behaarde snuit zou
juist zijn ontstaan uit kruisingen tussen de zogenaamde 'klassieke' Pyreneese
Herder en honden uit het gebied aan de voet van de Pyreneeën. Charles Duconte,
keurmeester van de SCC en een uitnemend kenner van het ras, schreef hier het
volgende over: 'Er leefden veel herdershonden aan de voet van de Pyreneeën, in
het bijzonder in Béarn, Bigorre en in het stroomgebied van de Adour. Ze woonden
niet ver van elkaar vandaan en vergezelden bepaalde kudden op hun seizoentrek.
Daardoor hebben er gedwongen kruisingen plaatsgevonden
tussen deze honden en hun verwanten uit de bergen. In het algemeen is daaruit
een hond voortgekomen die hoogbeniger was, met halflang haar op het lichaam en
kort haar op het hoofd en de benen. Verder had deze hond een iets sterker
ontwikkelde hersenpan, die qua vorm echter op die van het zuivere bergras leek.
Hij wordt overigens zeer gewaardeerd door onbetrouwbare veekooplieden en
veekeurders die de markten in de streek aflopen.
De Pyreneese Herdershond werd zeer hoog aangeslagen vanwege zijn aanleg voor het
drijven van schapen en paarden. Hij werd ook door de militairen geroemd om de
diensten die hij hun in tijden van oorlog had bewezen. Deze hond beschikte dus
over adelbrieven waarmee hij zonder problemen op een succesvolle ontwikkeling
kon afstevenen. Al in 1927 werd er een opmerkelijk dierengeneeskundig
proefschrift aan de hond gewijd, met de titel Le berceau d'une race canine:
Je chien de berger des Pyrénées (De bakermat van een hondenras: de Pyreneese
Herdershond). Later zou dit proefschrift de heren Duconte en Sabouraud
inspireren tot het schrijven van hun boek Les Chiens Pyrénéens (De
Pyreneese Honden). De kleine Pyreneeër vormde voortaan een belangrijke zorg van
beroemde kynologen.
Toen na de Tweede Wereldoorlog het toerisme zich steeds verder ontwikkelde en
ook de Pyreneeën werden 'ontdekt', raakten duizenden stedelingen vertrouwd met
de Pyreneese Herdershond. Hij werd daardoor populairder en niet alleen in
Frankrijk. De Pyreneese Herder was dan misschien het laatste herdershondenras
dat door de kynologie werd ontdekt, maar zijn reputatie zou nooit meer ter
discussie worden gesteld. Het gevolg van dit alles is dat hij tegenwoordig als
een zeer gewaardeerde gezelschapshond kan worden aangemerkt.
Gedrag:
Men
zou van de Pyreneese Herder kunnen zeggen dat hij een reputatie geniet die
omgekeerd evenredig is aan zijn voorkomen. Het ras wordt namelijk door iedereen
unaniem geroemd, zowel door beroepsmensen die hem als werkhond hebben uitgekozen
als door particulieren die hem als gezelschapshond hebben genomen.
De Pyreneese Herder is in de eerste plaats een hond die zeer goed is aangepast
aan het hooggebergte. Hij heeft een rechthoekig lichaam, met een zwaartepunt dat
vlak bij de grond ligt. Daardoor heeft hij een maximaal evenwicht op ongelijke
hellingen. Zijn droge voeten en dunne zolen houden goed op rotsachtig terrein,
omdat zijn achterbenen enigszins naar buiten staan, loopt hij ook gemakkelijk in
de bergen.
Vroeger was deze hond de ideale helper voor een herder. Hij had niet al te veel
voedsel nodig en zijn kleine formaat zorgde ervoor dat hij geen schapen
omverliep. De enkele keer dat hij nu nog aan het werk is, vormt zijn gedrag een
uitstekende weerspiegeling van zijn voornaamste eigenschappen: waakzaamheid en
beweeglijkheid. Hij is zeer snel en duwt achterblijvers met zijn snuit vooruit.
Hij brengt afgedwaalde schapen weer terug in de kudde, maar hij haast zich ook
naar de kop van de kudde om de schapen en ooien in de goede richting te sturen.
Als het moet, weet hij zijn onstuimigheid in te tomen. Bij gevaarlijke
doorgangen bijvoorbeeld zal hij de dieren één voor één heel behendig en
oplettend naar een veilige plek leiden.
Als er iets is waarin de Pyreneese Herdershond zelfs de herder overtreft, dan is
het wel het opsporen van verdwaalde dieren. Zodra er een schaap ontbreekt, gaat
de kleine Pyreneeër voor de herder het ontbrekende dier zoeken.
Hij doorzoekt de moeilijkst bereikbare uithoeken en speurt elke ongelijkheid van
het terrein af. Dit plichtsgevoel wordt geïllustreerd door het volgende verhaal
van een herder: "In de winter dreef ik de lammeren, om ze vet te mesten,
gewoonlijk in een speciale box om ze een extra portie eten te geven. De lammeren
hadden al snel door wat de bedoeling was van het gemanoeuvreer en maakten me het
niet al te moeilijk. Willy, een Pyreneese Herder, hielp me regelmatig bij deze
klus. Hij zat dan naast de deur en het leek wel alsof hij de lammeren telde als
ze door de deur gingen. Op een dag waren de lammeren klaar met eten en hadden de
kooi verlaten. De hond ging, zoals gewoonlijk, de plaats waar ze vandaan kwamen
inspecteren. Radeloos kwam hij onmiddellijk terug en liep naar mijn vrouw. Hij
probeerde haar duidelijk te maken dat ze mee moest gaan. Omdat zij niet
reageerde, trok hij aan haar schort. Mijn vrouw besloot tenslotte om toch maar
te gaan kijken en vond een lam dat achter een ruif klem zat. Het dier was
helemaal buiten adem van het spartelen. Willy likte meer dan vijf minuten zijn
kop om het te troosten en bracht het lam vervolgens naar zijn moeder." Een
andere herder roemt de kwaliteiten van de kleine Pyreneeër als volgt: "De
reflexen van de Pyreneese Herder zijn weergaloos en beter dan die van alle
andere herdersrassen. Zijn gehoorzaamheid en trouw zijn opmerkelijk. Het
ontbreekt hem nooit aan initiatief, oordeelsvermogen en geheugen zodra hij op de
proef wordt gesteld. Zijn moed is het gevolg van het feit dat hij gehard is
tegen pijn. De wijfjes geven er niet minder voortreffelijke melk door, als ze
maar de noodzakelijke voedingsstoffen in hun eten krijgen."
Een belangrijk kenmerk van de Pyreneese Herder is dat hij de neiging heeft
om maar één baas te accepteren. Hij zal zich hartstochtelijk aan die baas
hechten en dat ook blijven doen. Van hem zal hij alles accepteren als hij voelt
dat hij nuttig is. Daardoor is hij heel waakzaam, maar ook wantrouwig. Door zijn
strijdlust is hij vaak de aanstichter van vechtpartijen met andere honden. Op
zulke momenten geeft hij blijk van zijn lenigheid en snelheid, waardoor hij zijn
tegenstander weinig houvast biedt.
Met
een reeks behendige, ontwijkende bewegingen en onverwachte aanvallen plaatst hij
een paar treffende beten. De Pyreneese Herder is dus een lichtvoetige atleet en
een vechter zonder één zwak punt. Deze kenmerken dreigt men wel eens te vergeten
als men een exemplaar in de stad houdt.
De fokkers en het bestuur van de RACP willen trouwens dat de eigenschappen van
de Pyreneese Herder behouden blijven. Daarom hebben ze enkele jaren geleden de
verantwoording op zich genomen om deze herdershond aan het werk te houden. Hij
voert immers al eeuwenlang taken uit zonder dat die tot verbastering van het
type hebben geleid. Door economische omstandigheden had de Pyreneese Herdershond
uiteraard geen toekomst meer als veedrijver. Daarom heeft de club ervoor gezorgd
dat hij zich op nieuwe taken is gaan toeleggen, een omschakeling waar hij door
zijn veelzijdigheid volledig is geslaagd. Zo heeft hij zich de rol van
verdedigings- en politiehond eigen gemaakt. Door zijn grootte kan hij niet zo
hoog springen als sommige andere rassen, maar dat neemt niet weg dat zijn
sprongvermogen er mag zijn. Men heeft wel eens een reu met een gewond voorbeen
over een stenen muur van 1,70 meter zien springen, en daarna probleemloos een
met prikkeldraad afgezette hindernis zien nemen.
Het is opvallend hoe rustig en waakzame en levendige Pyreneese Herder met
kinderen omgaat. Hij kan zich dan ook heel goed aanpassen aan de 'zwakkere'.
Natuurlijk is een hond met zo'n achtergrond zeer sportief aangelegd. Hij kan er
slecht tegen om opgesloten te zitten in een flat of zelfs in een tuin. Hij moet
dus de gelegenheid krijgen om grote afstanden te rennen. Daarbij wil hij wel
graag zijn baas in de buurt hebben. Hij heeft er sowieso erg veel behoefte aan
om bij zijn baas te zijn. Als hij te vaak alleen wordt gelaten, en vooral als
hij zich nutteloos voelt, kan hij humeurig, blafferig, zelfs agressief worden.
Afgezien daarvan geeft hij als gezelschapshond geen speciale moeilijkheden. Hij
kan overal me naartoe worden genomen. Een voorwaarde is wel dat hij streng maar
rechtvaardig is opgevoed zo tussen zijn tweede en zesde maand.
De
Pyreneese
Herdershond is dus vooral een gezelschapshond geworden. Hij hoeft zich immers
niet meer op de Pyreneese hellingen uit te leven, desondanks hij in de bergen
pas echt tot leven komt. Maar daarom blijft hij nog wel erfelijk gekenmerkt door
het leven dat zijn voorvaders leidden. Hoewel hij stad vaker in de stad kan
worden aangetroffen, heeft hij toch behoefte aan een bestaan waarin hij
dagelijks zijn levenslust en intelligentie kwijt kan. Alle of bijna alle
eigenaars van een Pyreneese Herder zijn er zeker van én trots op dat ze een hond
hebben die 'anders is dan de andere'. Deze hond wordt in zijn geboortestreek
niet voor niets 'de hond die God heeft gezien' genoemd, dit vanwege zijn
levendige uitdrukking die wijst op intelligentie en soms zelfs op vervoering.
Het is een bergbewoner in hart en nieren, maar hij heeft bewezen dat hij zich
kan aanpassen aan andere plaatsen, of dat nu de stad of het platteland is.
Standaard:
Algemeen:
Herdershond die bij een minimum aan hoogte en gewicht een maximum aan spierkracht heeft en een maximum aan psychische uitstraling vertoont. Zijn uiterlijk van voortdurende waakzaamheid, slimheid, onvermoeibaarheid en wantrouwen geeft samen met zijn levendigheid van beweging iets bijzonders aan deze hond, iets dat geen andere hond heeft. Verder is een vrijheidlievend en vrolijk hondje dat een consequente opvoeding nodig heeft.
Hoofd:
De
schedel is normaal ontwikkeld, bijna plat, met een niet overdreven gleuf in het
midden. Hij gaat harmonisch rond in de zijkanten over en vertoont een weinig
uitstekende achterhoofdsknobbel. Het voorste deel van de schedel verloopt zacht
hellend naar de snuit. er is geen stop te zien. Het hoofd herinnert in zijn
algemene vorm aan dat van een bruine beer. De snuit is recht, eerder kort, licht
zonder overdrijving en enigszins in hoekvorm. De weinig dikke hanglippen
bedekken volkomen de onderkaak en tonen volstrekt geen mondhoek. De slijmvliezen
van de lippen en het verhemelte zijn geheel of grotendeels zwart. De
slijmvliezen met het meeste pigment verdienen de voorkeur. De neus is zwart.
Gebit:
De haaktanden zijn sterk in verhouding tot de grootte van de hond. De tanden van de bovenkaak sluiten over de tanden van de onderkaak, maar staan ermee in contact. Een tanggebit is toegestaan.
Oren:
Moeten tamelijk kort en matig breed aan de basis zijn. Staan niet te dicht bij elkaar, maar ook niet te ver uit elkaar op het bovenste deel van de schedel geplaatst. Werden ingekort, maar ongecoupeerde oren gelden beslist niet als fout indien ze goed zijn geplaatst. Het oor stat niet van nature.
Ogen:
De smalle oogleden zijn met zwart omringd, onverschillig welke kleur de vacht heeft. De oranjekleurige ogen zijn vol uitdrukking. Ze mogen niet uitpuilen, maar ook niet te diep liggen. Glasogen of ogen met blauwe vlekken zijn geoorloofd en zelfs vaak typerend voor wit met zwarte honden en voor grijswitte honden.
Lichaam:
De hals is vrij lang, nogal gespierd en goed vrij van de schouders. De schouders zijn behoorlijk en middelmatig schuin. De punt van het schouderblad steekt goed boven de lijn van de rug uit. Het geraamte is droog. De vrij lange rug is ondersteunend. De lendenen zijn kort, maar licht gewelfd. Dit lijkt trouwens sterker dan dat het is, omdat de vacht van de hond vaak zwaarder is op het achterdeel en het kruis. Het kruis is vrij kort en tamelijk schuin. De zijde is niet diep. De ribben zijn licht gewelfd. De matig ontwikkelde borstkas reikt ter hoogte van de ellebogen, zelden lager. Schouderhoogte: reuen 40-48 cm, teven 38-46 cm. Een afwijking van 2 cm meer voor perfect getypeerde exemplaren is toegestaan.
Benen:
De bevederde voorbenen zijn droog en gespierd, en hebben duidelijke polsen. Bij de achterbenen is de dij sterk ontwikkeld, maar niet te lang. De sprongen zijn breed, droog en matig gebogen. Ze staan vaak iets bij elkaar, vooral bij honden die in de bergen zijn geboren en opgevoed. De benen kunnen al dan niet enkele of dubbele hubertusklauwen hebben.
Voeten:
Droog en mager. Ietwat ovaal. De zool is donker gekleurd. De nagels zijn klein en stevig.
Staart:
Goed bevederd. Vrij laag aangezet, met een haak aan het einde. Honden met een ingekorte of een aangeboren korte staart zijn ook toegestaan.
Vacht:
De huid is dun en heeft vaak donkere plekken, onverschillig wat de kleur is. De beharing is lang of halflang, maar altijd rijkelijk. De vacht is bijna vlak of slechts licht gegolfd, dichter en wolliger op het kruis en de dijen. Het haar houdt het midden tussen geitenhaar en schapenwol.
Kleur:
Rossig, meer of minder diep, met of zonder zwarte haren ertussen. Grijs, meer of minder licht of zwart, met lichte, witte aftekeningen op het hoofd, borst en voeten (grijs wordt in het Frans arlequin, of bleu-merle genoemd).
Bijzonderheden:
Gangen: door zijn lichaamsbouw heeft de Pyreneese Herdershond in stap een kort
bewegingsritme, als hij in telgang loopt, is dat geen reden hem daarvoor
slechter te beoordelen. De draf,
de gang die de Pyreneese Herdershond bij voorkeur vertoont, moet vrij en
krachtig zijn. Het hoofd wordt aan de hoge kant gedragen. In de verlengde draf
wordt het hoofd in het verlengde van de ruglijn gedragen. De voeten worden nooit
hoog opgetild, het is niet raar of zelden dat hij met zijn voeten (nagels) over
de grond sleept. De draf maakt een vloeiende indruk, de hond scheert als het
ware over de grond. De juiste gang, die prettig oogt, onderscheidt zich door de
harmonie van de hoekingen tussen schouder en achterhand.
Fouten: zware hond zonder levendigheid, dik bespierd, gewone uitdrukking, slecht
gangwerk,
korte of duikende draf, spitsbogige schedel, gewelfd voorhoofd, te kort -, te
lang - of te smal hoofd, duidelijke stop, vierkante -, rechthoekige - of te
lange snuit, gebrek aan pigment, te vol behaarde snuit, vooral als daardoor de
ogen worden bedekt, te kleine -, te ronde - of te lichte ogen, ogen met een
woeste uitdrukking, ontkleurde oogleden, te laag aangezette oren, slecht
gedragen oren, hals die niet goed vrij van de schouders staat, dikke of zwakke
hals, in de schouders gelegen hals of te lange hals, zware -, vierkante romp,
rechte rug, slecht gedragen staart, staart zonder krul aan het uiteinde, dubbele
hubertusklauw aan de voorbenen, rechte sprongen, geen soepele gewrichten, voeten
die teveel behaard zijn met vormeloze haren aan de onderkant, onbehaarde
voeten,dikke voeten, kattenvoeten, lange-, witte nagels, te overvloedige
beharing op het hoofd, vooral als daardoor de ogen worden bedekt, en op de snuit
als ze daardoor snorren vertoont zoals bij de Griffon, een beharing die slecht
van samenstelling is, krullend of kroezend haar, teveel of te grote witte
vlekken op de vacht, zwarte vacht met tan op het hoofd en op de ledematen.
Punten die leiden tot uitsluiting: ontbreken van het type, vooral het hoofd, dat
in geen geval mag lijken op dat van de Briard of de Poolse Herdershond, grootte
boven of onder de maat die de standaard voorschrijft, met een uitzonderlijke
tolerantie van meer dan 2 cm voor verder volmaakte exemplaren, van nature
staande oren, witte -, bijna helemaal witte of bonte vacht, zeer lichtgele ogen,
glasogen bij andere dan niet bontgekleurde exemplaren, niet geheel zwarte neus
en oogleden, kroeshaar, agressiviteit tegenover menden.
Afwijkingen: monochrisme of cryptochisme, boven- of ondervoorbijten, ontbreken
van tanden, maar bij zeer getypeerde exemplaren bestaat een tolerantie van vier
tanden minder ( hoektanden, scheurkiezen en snijtanden niet meegerekend),
abnormale gang, in het bijzonder wat de achterhand betreft.
